Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
kapieren
Endlich habe ich die Aufgabe kapiert!
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
tragen
Sie tragen ihre Kinder auf dem Rücken.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
einstellen
Die Firma will mehr Leute einstellen.
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
bereiten
Sie hat ihm eine große Freude bereitet.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
malen
Ich habe ein schönes Bild für dich gemalt!
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
brennen
Im Kamin brennt ein Feuer.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
vergehen
Die Zeit vergeht manchmal langsam.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
verwenden
Schon kleine Kinder verwenden Tablets.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
ausreißen
Unser Sohn wollte von zu Hause ausreißen.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
frühstücken
Wir frühstücken am liebsten im Bett.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
bestellen
Sie bestellt sich ein Frühstück.