Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/40326232.webp
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
kapieren
Endlich habe ich die Aufgabe kapiert!
cms/verbs-webp/117311654.webp
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
tragen
Sie tragen ihre Kinder auf dem Rücken.
cms/verbs-webp/103797145.webp
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
einstellen
Die Firma will mehr Leute einstellen.
cms/verbs-webp/46565207.webp
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
bereiten
Sie hat ihm eine große Freude bereitet.
cms/verbs-webp/121112097.webp
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
malen
Ich habe ein schönes Bild für dich gemalt!
cms/verbs-webp/93221279.webp
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
brennen
Im Kamin brennt ein Feuer.
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
vergehen
Die Zeit vergeht manchmal langsam.
cms/verbs-webp/106608640.webp
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
verwenden
Schon kleine Kinder verwenden Tablets.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
ausreißen
Unser Sohn wollte von zu Hause ausreißen.
cms/verbs-webp/100565199.webp
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
frühstücken
Wir frühstücken am liebsten im Bett.
cms/verbs-webp/117490230.webp
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
bestellen
Sie bestellt sich ein Frühstück.
cms/verbs-webp/81025050.webp
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
kämpfen
Die Sportler kämpfen gegeneinander.