Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/90773403.webp
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
følge
Min hund følger mig, når jeg jogger.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
løbe væk
Vores søn ville løbe væk hjemmefra.
cms/verbs-webp/25599797.webp
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
spare
Du sparer penge, når du sænker rumtemperaturen.
cms/verbs-webp/93169145.webp
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
tale
Han taler til sit publikum.
cms/verbs-webp/79582356.webp
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
afkode
Han afkoder det med småt med et forstørrelsesglas.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controleren
De tandarts controleert de tanden.
tjekke
Tandlægen tjekker tænderne.
cms/verbs-webp/129945570.webp
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
svare
Hun svarede med et spørgsmål.
cms/verbs-webp/1502512.webp
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
læse
Jeg kan ikke læse uden briller.
cms/verbs-webp/123844560.webp
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskytte
En hjelm skal beskytte mod ulykker.
cms/verbs-webp/119289508.webp
houden
Je mag het geld houden.
beholde
Du kan beholde pengene.
cms/verbs-webp/95056918.webp
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
føre
Han fører pigen ved hånden.
cms/verbs-webp/85860114.webp
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
gå videre
Du kan ikke gå videre herfra.