Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/70624964.webp
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
have det sjovt
Vi havde meget sjovt på tivoli!
cms/verbs-webp/71612101.webp
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
gå ind
Metroen er lige gået ind på stationen.
cms/verbs-webp/71260439.webp
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
skrive til
Han skrev til mig sidste uge.
cms/verbs-webp/72855015.webp
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
modtage
Hun modtog en meget flot gave.
cms/verbs-webp/84943303.webp
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
befinde sig
En perle befinder sig inden i skallen.
cms/verbs-webp/83548990.webp
terugkomen
De boemerang kwam terug.
vende tilbage
Bumerangen vendte tilbage.
cms/verbs-webp/47241989.webp
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
slå op
Hvad du ikke ved, skal du slå op.
cms/verbs-webp/30793025.webp
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
prale
Han kan lide at prale med sine penge.
cms/verbs-webp/91906251.webp
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
råbe
Drengen råber så højt han kan.
cms/verbs-webp/43100258.webp
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
møde
Nogle gange mødes de i trappen.
cms/verbs-webp/35137215.webp
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
slå
Forældre bør ikke slå deres børn.
cms/verbs-webp/116932657.webp
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
modtage
Han modtager en god pension i alderdommen.