Ordforråd
Lær verb – Dutch
drinken
Ze drinkt thee.
drikke
Ho drikker te.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
overraske
Ho overraska foreldra med ei gåve.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
snakke dårleg
Klassekameratane snakker dårleg om henne.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
ta tilbake
Apparatet er defekt; forhandlaren må ta det tilbake.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
gå sakte
Klokka går nokre minutt sakte.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
reingjera
Ho reingjer kjøkkenet.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
bruke
Ho bruker kosmetikk dagleg.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
studere
Jentene likar å studere saman.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
gjere feil
Tenk nøye så du ikkje gjer feil!
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
bevise
Han vil bevise ein matematisk formel.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
passere
Middelalderperioden har passert.