Ordforråd
Lær verb – Dutch
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
dekke
Ho dekkjer ansiktet sitt.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
ville gå ut
Barnet vil ut.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
fortelje
Ho fortel ho ein hemmelegheit.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
drive
Cowboyane driver kveget med hestar.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
reise med tog
Eg vil reise dit med tog.
straffen
Ze strafte haar dochter.
straffe
Ho straffa dottera si.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
melde
Ho melder skandalen til venninna si.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
handle
Folk handlar med brukte møblar.
stoppen
De agente stopt de auto.
stoppe
Politikvinnen stoppar bilen.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
byrje
Eit nytt liv byrjar med ekteskap.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
spare
Du sparar pengar når du senker romtemperaturen.