Ordforråd
Lær verb – Dutch
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
velge ut
Ho velger ut eit nytt par med solbriller.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
ringje
Klokka ringjer kvar dag.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
motta
Eg kan motta veldig raskt internett.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
flytte saman
Dei to planlegg å flytte saman snart.
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
spare
Du kan spare pengar på oppvarming.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
vere klar over
Barnet er klar over foreldra sine krangel.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
sende
Varene vil bli sendt til meg i ei pakke.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
spørje
Læraren min spør ofte meg.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
dele
Dei deler husarbeidet mellom seg.
eisen
Hij eist compensatie.
krevje
Han krev kompensasjon.
wachten
Ze wacht op de bus.
vente
Ho ventar på bussen.