어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
서다
산악인은 정상에 서 있다.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
필요하다
타이어를 바꾸려면 잭이 필요하다.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
분류하다
그는 그의 우표를 분류하는 것을 좋아한다.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
앞지르게 하다
아무도 그를 슈퍼마켓 계산대에서 앞지르게 하고 싶어하지 않는다.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
밀다
간호사는 환자를 휠체어로 밀어준다.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
확인하다
그는 거기에 누가 살고 있는지 확인한다.
aanzetten
Zet de TV aan!
켜다
TV를 켜라!
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
늦잠 자다
그들은 하룻밤이라도 늦잠을 자고 싶다.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
의미하다
바닥의 이 문장은 무슨 뜻이야?
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
차례를 얻다
제발 기다리세요, 곧 차례가 돌아올 것입니다!
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
도착하다
그는 딱 맞춰서 도착했다.