어휘

동사를 배우세요 ― 네덜란드어

cms/verbs-webp/122707548.webp
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
서다
산악인은 정상에 서 있다.
cms/verbs-webp/74693823.webp
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
필요하다
타이어를 바꾸려면 잭이 필요하다.
cms/verbs-webp/40946954.webp
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
분류하다
그는 그의 우표를 분류하는 것을 좋아한다.
cms/verbs-webp/95655547.webp
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
앞지르게 하다
아무도 그를 슈퍼마켓 계산대에서 앞지르게 하고 싶어하지 않는다.
cms/verbs-webp/82095350.webp
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
밀다
간호사는 환자를 휠체어로 밀어준다.
cms/verbs-webp/106725666.webp
controleren
Hij controleert wie daar woont.
확인하다
그는 거기에 누가 살고 있는지 확인한다.
cms/verbs-webp/107508765.webp
aanzetten
Zet de TV aan!
켜다
TV를 켜라!
cms/verbs-webp/101945694.webp
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
늦잠 자다
그들은 하룻밤이라도 늦잠을 자고 싶다.
cms/verbs-webp/93792533.webp
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
의미하다
바닥의 이 문장은 무슨 뜻이야?
cms/verbs-webp/18473806.webp
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
차례를 얻다
제발 기다리세요, 곧 차례가 돌아올 것입니다!
cms/verbs-webp/74916079.webp
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
도착하다
그는 딱 맞춰서 도착했다.
cms/verbs-webp/110401854.webp
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
숙박하다
우리는 저렴한 호텔에서 숙박했다.