Vocabolario
Impara i verbi – Olandese
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
funzionare
Non ha funzionato questa volta.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
pensare
Lei deve sempre pensare a lui.
spellen
De kinderen leren spellen.
compitare
I bambini stanno imparando a compitare.
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
fare un errore
Pensa bene per non fare un errore!
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
mettere da parte
Voglio mettere da parte un po’ di soldi ogni mese per più tardi.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
ricordare
Il computer mi ricorda i miei appuntamenti.
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
preparare
Una deliziosa colazione è stata preparata!
wachten
Ze wacht op de bus.
aspettare
Lei sta aspettando l’autobus.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
ridurre
Devo assolutamente ridurre i miei costi di riscaldamento.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
suonare
Chi ha suonato il campanello?
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
rappresentare
Gli avvocati rappresentano i loro clienti in tribunale.