Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/102631405.webp
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
dimenticare
Lei non vuole dimenticare il passato.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
ricevere
Posso ricevere una connessione internet molto veloce.
cms/verbs-webp/85010406.webp
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
saltare sopra
L’atleta deve saltare sopra l’ostacolo.
cms/verbs-webp/21689310.webp
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
interpellare
Il mio insegnante mi interroga spesso.
cms/verbs-webp/102731114.webp
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
pubblicare
L’editore ha pubblicato molti libri.
cms/verbs-webp/33564476.webp
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
consegnare
Il ragazzo delle pizze consegna la pizza.
cms/verbs-webp/33493362.webp
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
richiamare
Per favore, richiamami domani.
cms/verbs-webp/119913596.webp
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
dare
Il padre vuole dare al figlio un po’ di soldi extra.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
servire
Il cameriere serve il cibo.
cms/verbs-webp/120655636.webp
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
aggiornare
Oggi devi costantemente aggiornare le tue conoscenze.
cms/verbs-webp/94796902.webp
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
ritrovare la strada
Non riesco a ritrovare la strada di ritorno.
cms/verbs-webp/124274060.webp
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
lasciare
Mi ha lasciato una fetta di pizza.