Vocabulary
Learn Adverbs – Dutch
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
enough
She wants to sleep and has had enough of the noise.
binnenkort
Hier wordt binnenkort een commercieel gebouw geopend.
soon
A commercial building will be opened here soon.
eerst
Veiligheid komt eerst.
first
Safety comes first.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
down
She jumps down into the water.
half
Het glas is half leeg.
half
The glass is half empty.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
on it
He climbs onto the roof and sits on it.
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
before
She was fatter before than now.
te veel
Het werk wordt me te veel.
too much
The work is getting too much for me.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
all day
The mother has to work all day.
weg
Hij draagt de prooi weg.
away
He carries the prey away.
gratis
Zonne-energie is gratis.
for free
Solar energy is for free.