Vocabulary
Learn Adverbs – Dutch
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
in
Is he going in or out?
weg
Hij draagt de prooi weg.
away
He carries the prey away.
al
Het huis is al verkocht.
already
The house is already sold.
buiten
We eten vandaag buiten.
outside
We are eating outside today.
echt
Kan ik dat echt geloven?
really
Can I really believe that?
bijna
De tank is bijna leeg.
almost
The tank is almost empty.
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
tomorrow
No one knows what will be tomorrow.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
alone
I am enjoying the evening all alone.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
too much
He has always worked too much.
gratis
Zonne-energie is gratis.
for free
Solar energy is for free.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
a little
I want a little more.