Vocabulary
Learn Adverbs – Dutch
altijd
Hier was altijd een meer.
always
There was always a lake here.
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
in
Is he going in or out?
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
all day
The mother has to work all day.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
a little
I want a little more.
daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.
there
Go there, then ask again.
eerst
Veiligheid komt eerst.
first
Safety comes first.
erg
Het kind is erg hongerig.
very
The child is very hungry.
binnenkort
Hier wordt binnenkort een commercieel gebouw geopend.
soon
A commercial building will be opened here soon.
bijvoorbeeld
Hoe vind je deze kleur, bijvoorbeeld?
for example
How do you like this color, for example?
buiten
We eten vandaag buiten.
outside
We are eating outside today.
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
long
I had to wait long in the waiting room.