Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
aufschreiben
Du musst dir das Passwort aufschreiben!
cms/verbs-webp/112755134.webp
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
telefonieren
Sie kann nur in der Mittagspause telefonieren.
cms/verbs-webp/47241989.webp
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
nachschlagen
Was man nicht weiß, muss man nachschlagen.
cms/verbs-webp/100011426.webp
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
beeinflussen
Lass dich nicht von anderen beeinflussen!
cms/verbs-webp/58993404.webp
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
heimgehen
Nach der Arbeit geht er heim.
cms/verbs-webp/68435277.webp
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
kommen
Es freut mich, dass Sie gekommen sind!
cms/verbs-webp/105238413.webp
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
einsparen
Beim Heizen kann man Geld einsparen.
cms/verbs-webp/853759.webp
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
verschleudern
Die Ware wird verschleudert.
cms/verbs-webp/118485571.webp
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
tun
Sie wollen etwas für ihre Gesundheit tun.
cms/verbs-webp/10206394.webp
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
ertragen
Sie kann die Schmerzen kaum ertragen!
cms/verbs-webp/80116258.webp
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
bewerten
Er bewertet die Leistung des Unternehmens.
cms/verbs-webp/105785525.webp
op handen zijn
Een ramp is op handen.
bevorstehen
Eine Katastrophe steht bevor.