Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
aufschreiben
Du musst dir das Passwort aufschreiben!
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
telefonieren
Sie kann nur in der Mittagspause telefonieren.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
nachschlagen
Was man nicht weiß, muss man nachschlagen.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
beeinflussen
Lass dich nicht von anderen beeinflussen!
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
heimgehen
Nach der Arbeit geht er heim.
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
kommen
Es freut mich, dass Sie gekommen sind!
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
einsparen
Beim Heizen kann man Geld einsparen.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
verschleudern
Die Ware wird verschleudert.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
tun
Sie wollen etwas für ihre Gesundheit tun.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
ertragen
Sie kann die Schmerzen kaum ertragen!
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
bewerten
Er bewertet die Leistung des Unternehmens.