Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/105623533.webp
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
sollen
Man soll viel Wasser trinken.
cms/verbs-webp/97188237.webp
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
tanzen
Sie tanzen verliebt einen Tango.
cms/verbs-webp/119404727.webp
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
machen
Das solltest du doch schon vor einer Stunde machen!
cms/verbs-webp/90554206.webp
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
berichten
Sie berichtet der Freundin von dem Skandal.
cms/verbs-webp/58477450.webp
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
vermieten
Er vermietet sein Haus.
cms/verbs-webp/71612101.webp
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
einfahren
Die U-Bahn ist gerade eingefahren.
cms/verbs-webp/115520617.webp
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
überfahren
Ein Radfahrer wurde von einem Auto überfahren.
cms/verbs-webp/113418367.webp
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
sich entscheiden
Sie kann sich nicht entscheiden, welche Schuhe sie anzieht.
cms/verbs-webp/86996301.webp
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
einstehen
Die beiden Freundinnen wollen immer für einander einstehen.
cms/verbs-webp/67624732.webp
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
befürchten
Wir befürchten, dass die Person schwer verletzt ist.
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
empfangen
Ich kann ein sehr schnelles Internet empfangen.
cms/verbs-webp/40946954.webp
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
sortieren
Er sortiert gern seine Briefmarken.