Wortschatz

Adverbien lernen – Niederländisch

cms/adverbs-webp/23025866.webp
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
ganztags
Die Mutter muss ganztags arbeiten.
cms/adverbs-webp/123249091.webp
samen
De twee spelen graag samen.
zusammen
Die beiden spielen gern zusammen.
cms/adverbs-webp/142768107.webp
nooit
Men moet nooit opgeven.
niemals
Man darf niemals aufgeben.
cms/adverbs-webp/77731267.webp
veel
Ik lees inderdaad veel.
viel
Ich lese wirklich viel.
cms/adverbs-webp/38720387.webp
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
hinab
Sie springt hinab ins Wasser.
cms/adverbs-webp/23708234.webp
correct
Het woord is niet correct gespeld.
richtig
Das Wort ist nicht richtig geschrieben.
cms/adverbs-webp/76773039.webp
te veel
Het werk wordt me te veel.
zu viel
Die Arbeit wird mir zu viel.
cms/adverbs-webp/29115148.webp
maar
Het huis is klein maar romantisch.
aber
Das Haus ist klein aber romantisch.
cms/adverbs-webp/10272391.webp
al
Hij slaapt al.
bereits
Er ist bereits eingeschlafen.
cms/adverbs-webp/98507913.webp
alle
Hier kun je alle vlaggen van de wereld zien.
alle
Hier kann man alle Flaggen der Welt sehen.
cms/adverbs-webp/170728690.webp
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
allein
Ich genieße den Abend ganz allein.
cms/adverbs-webp/172832880.webp
erg
Het kind is erg hongerig.
sehr
Das Kind ist sehr hungrig.