Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/127554899.webp
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
foretrække
Vores datter læser ikke bøger; hun foretrækker sin telefon.
cms/verbs-webp/103719050.webp
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
udvikle
De udvikler en ny strategi.
cms/verbs-webp/26758664.webp
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
spare
Mine børn har sparet deres egne penge op.
cms/verbs-webp/54608740.webp
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
luge ud
Ukrudt skal luges ud.
cms/verbs-webp/11497224.webp
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
svare
Eleven svarer på spørgsmålet.
cms/verbs-webp/84476170.webp
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
kræve
Han krævede kompensation fra den person, han havde en ulykke med.
cms/verbs-webp/124525016.webp
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
ligge bagved
Tiden fra hendes ungdom ligger langt bagved.
cms/verbs-webp/118064351.webp
vermijden
Hij moet noten vermijden.
undgå
Han skal undgå nødder.
cms/verbs-webp/117890903.webp
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
svare
Hun svarer altid først.
cms/verbs-webp/71883595.webp
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorere
Barnet ignorerer sin mors ord.
cms/verbs-webp/111750395.webp
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
gå tilbage
Han kan ikke gå tilbage alene.
cms/verbs-webp/86196611.webp
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
køre over
Desværre bliver mange dyr stadig kørt over af biler.