Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/51465029.webp
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
gå sakte
Klokken går noen minutter sakte.
cms/verbs-webp/77572541.webp
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
fjerne
Håndverkeren fjernet de gamle flisene.
cms/verbs-webp/120368888.webp
vertellen
Ze vertelde me een geheim.
fortelle
Hun fortalte meg en hemmelighet.
cms/verbs-webp/124274060.webp
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
etterlate
Hun etterlot meg et stykke pizza.
cms/verbs-webp/106682030.webp
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
finne igjen
Jeg kunne ikke finne passet mitt etter flyttingen.
cms/verbs-webp/130770778.webp
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
reise
Han liker å reise og har sett mange land.
cms/verbs-webp/84850955.webp
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
endre
Mye har endret seg på grunn av klimaendringer.
cms/verbs-webp/119269664.webp
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
bestå
Studentene besto eksamen.
cms/verbs-webp/124046652.webp
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
komme først
Helse kommer alltid først!
cms/verbs-webp/33564476.webp
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
levere
Pizzabudet leverer pizzaen.
cms/verbs-webp/100565199.webp
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
spise frokost
Vi foretrekker å spise frokost i senga.
cms/verbs-webp/109157162.webp
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
komme lett
Surfing kommer lett for ham.