Ordforråd
Lær adverb – nederlandsk
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
ned
Hun hopper ned i vannet.
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
kanskje
Hun vil kanskje bo i et annet land.
gisteren
Het regende hard gisteren.
i går
Det regnet kraftig i går.
gratis
Zonne-energie is gratis.
gratis
Solenergi er gratis.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
for mye
Han har alltid jobbet for mye.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
nede
Han ligger nede på gulvet.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
men
Huset er lite men romantisk.
buiten
We eten vandaag buiten.
ute
Vi spiser ute i dag.
erg
Het kind is erg hongerig.
veldig
Barnet er veldig sultent.
nooit
Ga nooit met schoenen aan naar bed!
aldri
Gå aldri til sengs med sko på!
nu
Moet ik hem nu bellen?
nå
Skal jeg ringe ham nå?