Ordforråd
Lær verb – nederlandsk
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
fornye
Maleren vil fornye veggfargen.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
tjene
Hunder liker å tjene eierne sine.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
ringe
Klokken ringer hver dag.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
føle
Hun føler babyen i magen sin.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
smake
Hovedkokken smaker på suppen.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
bli venner
De to har blitt venner.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ri
De rir så fort de kan.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
overvåke
Alt overvåkes her av kameraer.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
foreslå
Kvinnen foreslår noe til venninnen sin.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
bli opprørt
Hun blir opprørt fordi han alltid snorker.
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
tilgi
Hun kan aldri tilgi ham for det!