Ordforråd
Lær verb – Dutch
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
skifte
Bilmeikanikaren skifter dekka.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
rette
Læraren rettar elevane sine stilar.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
levere
Han leverer pizza til heimar.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
koma heim
Far har endeleg komme heim!
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
bestemme
Ho klarer ikkje bestemme kva sko ho skal ha på.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
sende av garde
Ho vil sende brevet no.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
byggje
Barna bygger eit høgt tårn.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
finne vegen
Eg kan finne vegen godt i ein labyrint.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
besøke
Ho besøker Paris.
uitsterven
Veel dieren zijn vandaag uitgestorven.
døy ut
Mange dyr har døydd ut i dag.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
gå
Kor går de begge to?