Testen 26



Datum:
Tijd besteed aan testen::
Score:


Sun May 03, 2026

0/10

Klik op een woord
1. Dat zijn de leerlingen.
są uczniowie   See hint
2. Drink je water met ijs?
Pijesz wodę z ?   See hint
3. Ik doe de was in de wasmachine.
Ja Wkładam pranie do   See hint
4. Hoe kom ik in het centrum van de stad?
Jak dotrę do miasta?   See hint
5. Dit heb ik niet besteld.
Ja nie zamawiałem / zamawiałam   See hint
6. Hij vaart met het schip.
On statkiem   See hint
7. Daar is de dierentuin.
Tam zoo   See hint
8. Er is ook een zwembad met sauna.
też basen z sauną   See hint
9. Je tas is erg mooi.
Twoja jest bardzo ładna   See hint
10. Het stoplicht staat op rood.
jest czerwone   See hint