어휘

동사를 배우세요 ― 네덜란드어

cms/verbs-webp/120220195.webp
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
팔다
상인들은 많은 상품을 팔고 있다.
cms/verbs-webp/99207030.webp
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
도착하다
비행기는 제시간에 도착했다.
cms/verbs-webp/121264910.webp
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
잘게 자르다
샐러드를 위해 오이를 잘게 잘라야 한다.
cms/verbs-webp/113415844.webp
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
떠나다
많은 영국 사람들은 EU를 떠나고 싶어했다.
cms/verbs-webp/122638846.webp
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
말문이 막히다
놀람이 그녀를 말문이 막히게 한다.
cms/verbs-webp/81885081.webp
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
태우다
그는 성냥을 태웠다.
cms/verbs-webp/109099922.webp
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
알리다
컴퓨터가 나에게 약속을 알려준다.
cms/verbs-webp/122290319.webp
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
남겨두다
나는 매달 나중을 위해 돈을 좀 남겨두고 싶다.
cms/verbs-webp/74036127.webp
missen
De man heeft zijn trein gemist.
놓치다
그 남자는 그의 기차를 놓쳤다.
cms/verbs-webp/123947269.webp
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
모니터하다
여기 모든 것은 카메라로 모니터링된다.
cms/verbs-webp/99633900.webp
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
탐험하다
사람들은 화성을 탐험하고 싶어한다.
cms/verbs-webp/123648488.webp
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
들르다
의사들은 매일 환자에게 들른다.