어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
팔다
상인들은 많은 상품을 팔고 있다.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
도착하다
비행기는 제시간에 도착했다.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
잘게 자르다
샐러드를 위해 오이를 잘게 잘라야 한다.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
떠나다
많은 영국 사람들은 EU를 떠나고 싶어했다.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
말문이 막히다
놀람이 그녀를 말문이 막히게 한다.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
태우다
그는 성냥을 태웠다.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
알리다
컴퓨터가 나에게 약속을 알려준다.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
남겨두다
나는 매달 나중을 위해 돈을 좀 남겨두고 싶다.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
놓치다
그 남자는 그의 기차를 놓쳤다.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
모니터하다
여기 모든 것은 카메라로 모니터링된다.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
탐험하다
사람들은 화성을 탐험하고 싶어한다.