어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
거짓말하다
그는 무언가를 팔고 싶을 때 자주 거짓말한다.
werken
Ze werkt beter dan een man.
일하다
그녀는 남자보다 더 잘 일한다.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
꼼짝할 수 없다
나는 꼼짝할 수 없고, 출구를 찾을 수 없다.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
열리다
장례식은 그저께 열렸다.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
논의하다
동료들은 문제를 논의합니다.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
학년을 반복하다
학생이 학년을 반복했다.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
칠하다
그는 벽을 흰색으로 칠하고 있다.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
외치다
들리려면 당신의 메시지를 크게 외쳐야 한다.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
지불하다
그녀는 신용카드로 온라인으로 지불한다.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
서명하다
그는 계약서에 서명했다.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
단순화하다
아이들을 위해 복잡한 것을 단순화해야 한다.