어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
절약하다
난방비를 절약할 수 있다.
houden
Je mag het geld houden.
보관하다
돈은 당신이 보관할 수 있다.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
동행하다
그 개는 그들과 함께 동행한다.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
길을 잃다
나는 길을 잃었다.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
다시 찾다
이사한 후에 내 여권을 찾을 수 없었다.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
버리다
그는 버려진 바나나 껍질을 밟는다.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
나가다
그 여자애들은 함께 나가는 것을 좋아한다.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
투표하다
사람은 후보에 찬성 또는 반대로 투표한다.
verantwoordelijk zijn voor
De arts is verantwoordelijk voor de therapie.
책임이 있다
의사는 치료에 대한 책임이 있다.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
잘 되다
이번에는 잘 되지 않았다.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
지나가다
두 사람이 서로 지나간다.