어휘

동사를 배우세요 ― 네덜란드어

cms/verbs-webp/105238413.webp
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
절약하다
난방비를 절약할 수 있다.
cms/verbs-webp/119289508.webp
houden
Je mag het geld houden.
보관하다
돈은 당신이 보관할 수 있다.
cms/verbs-webp/101765009.webp
begeleiden
De hond begeleidt hen.
동행하다
그 개는 그들과 함께 동행한다.
cms/verbs-webp/93221270.webp
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
길을 잃다
나는 길을 잃었다.
cms/verbs-webp/106682030.webp
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
다시 찾다
이사한 후에 내 여권을 찾을 수 없었다.
cms/verbs-webp/82604141.webp
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
버리다
그는 버려진 바나나 껍질을 밟는다.
cms/verbs-webp/101383370.webp
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
나가다
그 여자애들은 함께 나가는 것을 좋아한다.
cms/verbs-webp/95190323.webp
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
투표하다
사람은 후보에 찬성 또는 반대로 투표한다.
cms/verbs-webp/110667777.webp
verantwoordelijk zijn voor
De arts is verantwoordelijk voor de therapie.
책임이 있다
의사는 치료에 대한 책임이 있다.
cms/verbs-webp/113253386.webp
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
잘 되다
이번에는 잘 되지 않았다.
cms/verbs-webp/35071619.webp
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
지나가다
두 사람이 서로 지나간다.
cms/verbs-webp/71991676.webp
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
남기다
그들은 역에서 자신의 아이를 실수로 남겼다.