doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
통과시키다
국경에서 난민들을 통과시켜야 할까요?
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
뛰어나가다
그녀는 새 신발을 신고 뛰어나간다.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
채팅하다
학생들은 수업 중에 채팅해서는 안됩니다.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
제한하다
울타리는 우리의 자유를 제한한다.
samenwerken
We werken samen als een team.
협력하다
우리는 팀으로 협력한다.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
다시 보다
그들은 드디어 서로 다시 본다.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
보고하다
선상의 모든 사람은 선장에게 보고한다.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
알아보다
생소한 개들은 서로를 알아보고 싶어한다.
verhuizen
De buurman verhuist.
이사가다
이웃이 이사를 가고 있다.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
공유하다
우리는 우리의 부를 공유하는 법을 배워야 한다.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
그대로 두다
오늘 많은 사람들은 자신의 차를 그대로 둬야 한다.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
고용하다
지원자는 고용되었다.