Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/68561700.webp
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
dejar
Quien deje las ventanas abiertas invita a los ladrones.
cms/verbs-webp/98561398.webp
mengen
De schilder mengt de kleuren.
mezclar
El pintor mezcla los colores.
cms/verbs-webp/91997551.webp
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
entender
No se puede entender todo sobre las computadoras.
cms/verbs-webp/105623533.webp
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
deber
Se debería beber mucha agua.
cms/verbs-webp/82604141.webp
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
tirar
Él pisa una cáscara de plátano tirada.
cms/verbs-webp/119302514.webp
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
llamar
La niña está llamando a su amiga.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activeren
De rook activeerde het alarm.
activar
El humo activó la alarma.
cms/verbs-webp/84847414.webp
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
cuidar
Nuestro hijo cuida muy bien de su nuevo coche.
cms/verbs-webp/93150363.webp
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
despertar
Acaba de despertar.
cms/verbs-webp/106725666.webp
controleren
Hij controleert wie daar woont.
verificar
Él verifica quién vive allí.
cms/verbs-webp/19584241.webp
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
disponer
Los niños solo disponen de dinero de bolsillo.
cms/verbs-webp/109099922.webp
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
recordar
La computadora me recuerda mis citas.