Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
dejar
Quien deje las ventanas abiertas invita a los ladrones.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
mezclar
El pintor mezcla los colores.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
entender
No se puede entender todo sobre las computadoras.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
deber
Se debería beber mucha agua.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
tirar
Él pisa una cáscara de plátano tirada.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
llamar
La niña está llamando a su amiga.
activeren
De rook activeerde het alarm.
activar
El humo activó la alarma.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
cuidar
Nuestro hijo cuida muy bien de su nuevo coche.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
despertar
Acaba de despertar.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
verificar
Él verifica quién vive allí.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
disponer
Los niños solo disponen de dinero de bolsillo.