Wortschatz

Lernen Sie Verben – Niederländisch

cms/verbs-webp/74119884.webp
openen
Het kind opent zijn cadeau.
aufmachen
Das Kind macht sein Geschenk auf.
cms/verbs-webp/117897276.webp
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
erhalten
Er hat vom Chef eine Gehaltserhöhung erhalten.
cms/verbs-webp/43483158.webp
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
hinfahren
Ich werde mit dem Zug hinfahren.
cms/verbs-webp/121820740.webp
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
losgehen
Die Wanderer gingen schon früh am Morgen los.
cms/verbs-webp/78073084.webp
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
sich hinlegen
Sie waren müde und legten sich hin.
cms/verbs-webp/113885861.webp
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
sich infizieren
Sie hat sich mit einem Virus infiziert.
cms/verbs-webp/35137215.webp
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
verhauen
Eltern sollten ihre Kinder nicht verhauen.
cms/verbs-webp/34979195.webp
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
sich zusammenfinden
Es ist schön, wenn sich zwei zusammenfinden.
cms/verbs-webp/124458146.webp
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
überlassen
Die Besitzer überlassen mir ihre Hunde zum Spaziergang.
cms/verbs-webp/116932657.webp
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
beziehen
Er bezieht im Alter eine gute Rente.
cms/verbs-webp/100565199.webp
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
frühstücken
Wir frühstücken am liebsten im Bett.
cms/verbs-webp/123213401.webp
haten
De twee jongens haten elkaar.
hassen
Die beiden Jungen hassen sich.