Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
Tiden går nogle gange langsomt.
cms/verbs-webp/23257104.webp
duwen
Ze duwen de man het water in.
skubbe
De skubber manden i vandet.
cms/verbs-webp/108580022.webp
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
vende tilbage
Faderen er vendt tilbage fra krigen.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
løbe væk
Vores søn ville løbe væk hjemmefra.
cms/verbs-webp/102114991.webp
knippen
De kapper knipt haar haar.
klippe
Frisøren klipper hendes hår.
cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
gætte
Du skal gætte hvem jeg er!
cms/verbs-webp/78309507.webp
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
klippe ud
Figurerne skal klippes ud.
cms/verbs-webp/118485571.webp
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
gøre for
De vil gøre noget for deres sundhed.
cms/verbs-webp/82095350.webp
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
skubbe
Sygeplejersken skubber patienten i en kørestol.
cms/verbs-webp/85860114.webp
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
gå videre
Du kan ikke gå videre herfra.
cms/verbs-webp/91367368.webp
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
gå en tur
Familien går en tur om søndagen.
cms/verbs-webp/90032573.webp
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
kende
Børnene er meget nysgerrige og kender allerede meget.