Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
raden
Je moet raden wie ik ben!
gætte
Du skal gætte hvem jeg er!
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
acceptere
Jeg kan ikke ændre det, jeg må acceptere det.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
lukke ind
Det sneede udenfor, og vi lukkede dem ind.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
lukke
Hun lukker gardinerne.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
vende rundt
Du skal vende bilen her.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
annullere
Han annullerede desværre mødet.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
overgå
Hvaler overgår alle dyr i vægt.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
takke
Han takkede hende med blomster.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
udelade
Du kan udelade sukkeret i teen.
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
administrere
Hvem administrerer pengene i din familie?
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
vise
Jeg kan vise et visum i mit pas.