Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
gætte
Du skal gætte hvem jeg er!
cms/verbs-webp/57207671.webp
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
acceptere
Jeg kan ikke ændre det, jeg må acceptere det.
cms/verbs-webp/53646818.webp
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
lukke ind
Det sneede udenfor, og vi lukkede dem ind.
cms/verbs-webp/53064913.webp
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
lukke
Hun lukker gardinerne.
cms/verbs-webp/100585293.webp
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
vende rundt
Du skal vende bilen her.
cms/verbs-webp/102447745.webp
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
annullere
Han annullerede desværre mødet.
cms/verbs-webp/96710497.webp
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
overgå
Hvaler overgår alle dyr i vægt.
cms/verbs-webp/101158501.webp
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
takke
Han takkede hende med blomster.
cms/verbs-webp/100466065.webp
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
udelade
Du kan udelade sukkeret i teen.
cms/verbs-webp/59552358.webp
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
administrere
Hvem administrerer pengene i din familie?
cms/verbs-webp/102823465.webp
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
vise
Jeg kan vise et visum i mit pas.
cms/verbs-webp/120900153.webp
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
gå ud
Børnene vil endelig gå udenfor.