Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
frygte
Vi frygter, at personen er alvorligt skadet.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
blande
Maleren blander farverne.
leiden
Hij leidt graag een team.
lede
Han nyder at lede et team.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
vende rundt
Du skal vende bilen her.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
annullere
Han annullerede desværre mødet.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
drive væk
En svane driver en anden væk.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
oversætte
Han kan oversætte mellem seks sprog.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
omfavne
Moderen omfavner babyens små fødder.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
tillade
Man bør ikke tillade depression.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
svare
Hun svarer altid først.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
forårsage
Sukker forårsager mange sygdomme.