Vocabulari
Aprèn verbs – neerlandès
denken
Je moet veel denken bij schaken.
pensar
Has de pensar molt en escacs.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
aparcar
Les bicicletes estan aparcat a davant de la casa.
eisen
Hij eist compensatie.
exigir
Ell està exigint una compensació.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
fer la marmota
Volen fer la marmota una nit, per fi.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
anar malament
Tot està anant malament avui!
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
mirar
Ella mira a través de uns prismàtics.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
tornar
El gos torna la joguina.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
xutar
En les arts marcials, has de saber xutar bé.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
estimar
Ella estima molt el seu gat.
geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
estar interessat
El nostre fill està molt interessat en la música.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
conduir al voltant
Els cotxes condueixen en cercle.