Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/119520659.webp
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
mencionar
Quantas vezes preciso mencionar esse argumento?
cms/verbs-webp/83661912.webp
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
preparar
Eles preparam uma deliciosa refeição.
cms/verbs-webp/61389443.webp
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
deitar
As crianças estão deitadas juntas na grama.
cms/verbs-webp/47062117.webp
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
se virar
Ela tem que se virar com pouco dinheiro.
cms/verbs-webp/62788402.webp
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
endossar
Nós endossamos de bom grado sua ideia.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
examinar
O dentista examina a dentição do paciente.
cms/verbs-webp/122224023.webp
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
atrasar
Logo teremos que atrasar o relógio novamente.
cms/verbs-webp/32685682.webp
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
estar ciente
A criança está ciente da discussão de seus pais.
cms/verbs-webp/55788145.webp
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cobrir
A criança cobre seus ouvidos.
cms/verbs-webp/44159270.webp
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
devolver
A professora devolve as redações aos alunos.
cms/verbs-webp/132305688.webp
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
desperdiçar
A energia não deve ser desperdiçada.
cms/verbs-webp/107996282.webp
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
O professor refere-se ao exemplo no quadro.