Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
procurar
O que você não sabe, tem que procurar.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
garantir
O seguro garante proteção em caso de acidentes.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
queimar
Você não deveria queimar dinheiro.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
ouvir
Ela ouve e escuta um som.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
influenciar
Não se deixe influenciar pelos outros!
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
dar
O pai quer dar algum dinheiro extra ao filho.
wassen
De moeder wast haar kind.
lavar
A mãe lava seu filho.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
liquidar
A mercadoria está sendo liquidada.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
escolher
É difícil escolher o certo.