Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
publicar
O editor publicou muitos livros.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
praticar
Ele pratica todos os dias com seu skate.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
gostar
Ela gosta mais de chocolate do que de legumes.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
tornar-se amigos
Os dois se tornaram amigos.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
acordar
O despertador a acorda às 10 da manhã.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
estacionar
As bicicletas estão estacionadas na frente da casa.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cobrir
A criança se cobre.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
pisar
Não posso pisar no chão com este pé.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
consumir
Ela consome um pedaço de bolo.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
traduzir
Ele pode traduzir entre seis idiomas.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticar
O chefe critica o funcionário.