Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/125088246.webp
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
imitar
A criança imita um avião.
cms/verbs-webp/87317037.webp
spelen
Het kind speelt liever alleen.
brincar
A criança prefere brincar sozinha.
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mencionar
O chefe mencionou que vai demiti-lo.
cms/verbs-webp/106088706.webp
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
levantar-se
Ela não consegue mais se levantar sozinha.
cms/verbs-webp/68841225.webp
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
entender
Eu não consigo te entender!
cms/verbs-webp/19584241.webp
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
dispor
Crianças só têm mesada à sua disposição.
cms/verbs-webp/84847414.webp
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
cuidar
Nosso filho cuida muito bem do seu novo carro.
cms/verbs-webp/853759.webp
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
liquidar
A mercadoria está sendo liquidada.
cms/verbs-webp/96628863.webp
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
economizar
A menina está economizando sua mesada.
cms/verbs-webp/104476632.webp
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
lavar
Eu não gosto de lavar a louça.
cms/verbs-webp/118485571.webp
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
fazer por
Eles querem fazer algo por sua saúde.
cms/verbs-webp/118483894.webp
genieten
Ze geniet van het leven.
desfrutar
Ela desfruta da vida.