Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
levantar-se
Ela não consegue mais se levantar sozinha.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
omitir
Você pode omitir o açúcar no chá.
doden
Ik zal de vlieg doden!
matar
Vou matar a mosca!
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
sair
As meninas gostam de sair juntas.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
querer sair
A criança quer sair.
teruggeven
De leraar geeft de essays terug aan de studenten.
devolver
A professora devolve as redações aos alunos.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
misturar
Ela mistura um suco de frutas.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
entender
Não se pode entender tudo sobre computadores.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
limpar
O trabalhador está limpando a janela.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
pintar
Ela pintou suas mãos.
kijken
Ze kijkt door een gat.
olhar
Ela olha por um buraco.