Ordforråd
Lær adverb – Dutch
erg
Het kind is erg hongerig.
veldig
Barnet er veldig sultent.
opnieuw
Hij schrijft alles opnieuw.
igjen
Han skriv alt igjen.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
ned
Han fell ned frå ovan.
buiten
We eten vandaag buiten.
ute
Vi et ute i dag.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
men
Huset er lite, men romantisk.
altijd
Je kunt ons altijd bellen.
når som helst
Du kan ringje oss når som helst.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
ut
Det sjuke barnet får ikkje gå ut.
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
kanskje
Ho vil kanskje bu i eit anna land.
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
inn
Går han inn eller ut?
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
før
Ho var tjukkare før enn no.
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
åleine
Eg nyter kvelden heilt åleine.