Ordforråd
Lær adjektiver – Dutch
levendig
levendige huisgevels
livleg
livlege husfasadar
drievoudig
de drievoudige mobiele chip
tredobbel
den tredobbelte mobilchipen
bruin
een bruine houten muur
brun
ei brun tømmervegg
beroemd
de beroemde tempel
berømt
den berømte tempelet
zonnig
een zonnige lucht
solskinns-
ein solskinnsdag
dom
de domme jongen
dum
den dumme guten
strak
een strakke bank
trang
ein trang sofa
bochtig
de bochtige weg
svingete
den svingete vegen
bruikbaar
bruikbare eieren
brukbar
brukbare egg
lang
lang haar
lang
lange hår
modern
een modern medium
moderne
eit moderne medium