Woordenlijst
Leer bijwoorden – Esperanto
malsupren
Li falas malsupren de supre.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
sur ĝi
Li grimpas sur la tegmenton kaj sidas sur ĝi.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
trans
Ŝi volas transiri la straton kun la tretskutero.
over
Ze wil de straat oversteken met de scooter.
malsupren
Ŝi saltas malsupren en la akvon.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
ekstere
Ni manĝas ekstere hodiaŭ.
buiten
We eten vandaag buiten.
en
La du eniras.
in
De twee komen binnen.
iam
Ĉu vi iam perdis vian tutan monon en akcioj?
ooit
Heb je ooit al je geld aan aandelen verloren?
antaŭe
Ŝi estis pli dika antaŭe ol nun.
voor
Ze was voorheen dikker dan nu.
eble
Ŝi eble volas loĝi en alia lando.
misschien
Ze wil misschien in een ander land wonen.
for
Li portas la predaĵon for.
weg
Hij draagt de prooi weg.
almenaŭ
La hararangisto ne kostis multe almenaŭ.
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.