Woordenlijst
Leer bijwoorden – Bosnisch
već
On je već zaspao.
al
Hij slaapt al.
cijeli dan
Majka mora raditi cijeli dan.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
dolje
On pada dolje s vrha.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
zajedno
Oboje vole igrati zajedno.
samen
De twee spelen graag samen.
zašto
Djeca žele znati zašto je sve kako jest.
waarom
Kinderen willen weten waarom alles is zoals het is.
unutra
Dvoje ulazi unutra.
in
De twee komen binnen.
nešto
Vidim nešto zanimljivo!
iets
Ik zie iets interessants!
previše
Posao mi postaje previše.
te veel
Het werk wordt me te veel.
vani
Danas jedemo vani.
buiten
We eten vandaag buiten.
unutra
Da li on ulazi unutra ili izlazi?
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
stvarno
Mogu li to stvarno vjerovati?
echt
Kan ik dat echt geloven?