어휘

동사를 배우세요 ― 네덜란드어

cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
제한하다
다이어트 중에는 음식 섭취를 제한해야 한다.
cms/verbs-webp/103910355.webp
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
앉다
많은 사람들이 방에 앉아 있다.
cms/verbs-webp/112755134.webp
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
전화하다
그녀는 점심시간 동안만 전화할 수 있다.
cms/verbs-webp/123648488.webp
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
들르다
의사들은 매일 환자에게 들른다.
cms/verbs-webp/123298240.webp
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
만나다
친구들은 함께 저녁 식사를 하기 위해 만났다.
cms/verbs-webp/110056418.webp
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
연설하다
정치인은 많은 학생들 앞에서 연설을 하고 있다.
cms/verbs-webp/123213401.webp
haten
De twee jongens haten elkaar.
싫어하다
두 소년은 서로 싫어한다.
cms/verbs-webp/98060831.webp
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
출판하다
출판사는 이 잡지들을 출판한다.
cms/verbs-webp/43483158.webp
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
기차로 가다
나는 기차로 거기로 갈 것이다.
cms/verbs-webp/60395424.webp
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
뛰어다니다
아이는 행복하게 뛰어다닌다.
cms/verbs-webp/63935931.webp
draaien
Ze draait het vlees.
돌리다
그녀는 고기를 돌린다.
cms/verbs-webp/89084239.webp
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
줄이다
나는 반드시 난방 비용을 줄여야 한다.