어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
제한하다
다이어트 중에는 음식 섭취를 제한해야 한다.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
앉다
많은 사람들이 방에 앉아 있다.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
전화하다
그녀는 점심시간 동안만 전화할 수 있다.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
들르다
의사들은 매일 환자에게 들른다.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
만나다
친구들은 함께 저녁 식사를 하기 위해 만났다.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
연설하다
정치인은 많은 학생들 앞에서 연설을 하고 있다.
haten
De twee jongens haten elkaar.
싫어하다
두 소년은 서로 싫어한다.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
출판하다
출판사는 이 잡지들을 출판한다.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
기차로 가다
나는 기차로 거기로 갈 것이다.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
뛰어다니다
아이는 행복하게 뛰어다닌다.
draaien
Ze draait het vlees.
돌리다
그녀는 고기를 돌린다.