어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
실수하다
실수하지 않게 신중하게 생각해라!
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
받아들이다
여기서는 신용카드를 받아들인다.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
받아들이다
어떤 사람들은 진실을 받아들이기를 원하지 않는다.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
검사하다
이 연구소에서는 혈액 샘플을 검사한다.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
돌아가다
그는 혼자 돌아갈 수 없다.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
칠하다
그 차는 파란색으로 칠해진다.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
찾다
나는 가을에 버섯을 찾는다.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
무서워하다
어둠 속에서 아이가 무서워한다.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
말하다
그녀는 그녀의 친구에게 말하고 싶어한다.
binnenkomen
Kom binnen!
들어오다
들어와!
binnenkomen
Kom binnen!
들어오다
들어와!