単語
動詞を学ぶ – オランダ語
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
雪が降る
今日はたくさん雪が降りました。
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
含む
魚、チーズ、牛乳はたくさんのたんぱく質を含む。
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
覆う
子供は耳を覆います。
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
通り抜ける
車は木を通り抜けます。
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
影響を受ける
他人の影響を受けないようにしてください!
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
響く
彼女の声は素晴らしい響きがします。
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
塗る
車は青く塗られている。
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
帰る
彼は仕事の後家に帰ります。
missen
De man heeft zijn trein gemist.
逃す
その男は彼の電車を逃しました。
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
回す
ここで車を回す必要があります。
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
押す
看護師は患者を車いすで押します。