単語

動詞を学ぶ – オランダ語

cms/verbs-webp/109099922.webp
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
思い出させる
コンピュータは私に予定を思い出させてくれます。
cms/verbs-webp/65840237.webp
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
送る
商品は私にパッケージで送られます。
cms/verbs-webp/91696604.webp
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
許す
うつ病を許してはいけない。
cms/verbs-webp/82845015.webp
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
報告する
船上の全員が船長に報告します。
cms/verbs-webp/111792187.webp
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
選ぶ
正しいものを選ぶのは難しいです。
cms/verbs-webp/68561700.webp
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
開けておく
窓を開けておくと、泥棒を招くことになる!
cms/verbs-webp/91367368.webp
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
散歩する
家族は日曜日に散歩に出かけます。
cms/verbs-webp/17624512.webp
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
慣れる
子供たちは歯磨きに慣れる必要があります。
cms/verbs-webp/90821181.webp
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
勝つ
彼はテニスで対戦相手に勝ちました。
cms/verbs-webp/83548990.webp
terugkomen
De boemerang kwam terug.
戻る
ブーメランが戻ってきました。
cms/verbs-webp/120762638.webp
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
伝える
あなたに伝える大切なことがあります。
cms/verbs-webp/11497224.webp
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
答える
生徒は質問に答えます。