単語
動詞を学ぶ – オランダ語
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
思い出させる
コンピュータは私に予定を思い出させてくれます。
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
送る
商品は私にパッケージで送られます。
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
許す
うつ病を許してはいけない。
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
報告する
船上の全員が船長に報告します。
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
選ぶ
正しいものを選ぶのは難しいです。
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
開けておく
窓を開けておくと、泥棒を招くことになる!
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
散歩する
家族は日曜日に散歩に出かけます。
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
慣れる
子供たちは歯磨きに慣れる必要があります。
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
勝つ
彼はテニスで対戦相手に勝ちました。
terugkomen
De boemerang kwam terug.
戻る
ブーメランが戻ってきました。
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
伝える
あなたに伝える大切なことがあります。