Vocabolario
Impara i verbi – Olandese
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
dimenticare
Lei non vuole dimenticare il passato.
zingen
De kinderen zingen een lied.
cantare
I bambini cantano una canzone.
genieten
Ze geniet van het leven.
godere
Lei gode della vita.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
superare
Le balene superano tutti gli animali in peso.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
entrare
La metropolitana è appena entrata nella stazione.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
tornare
Lui non può tornare indietro da solo.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
accadere
Nelle sogni accadono cose strane.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
confermare
Ha potuto confermare la buona notizia a suo marito.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
ubriacarsi
Lui si ubriaca quasi ogni sera.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
tagliare
Per l’insalata, devi tagliare il cetriolo.