Vocabolario
Impara i verbi – Olandese
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
praticare
La donna pratica yoga.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
venire
La fortuna sta venendo da te.
drukken
Hij drukt op de knop.
premere
Lui preme il bottone.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
rientrare
Dopo lo shopping, i due rientrano a casa.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
concordare
I vicini non potevano concordare sul colore.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
allontanare
Un cigno ne allontana un altro.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
permettere
Non si dovrebbe permettere la depressione.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
allestire
Mia figlia vuole allestire il suo appartamento.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
usare
Lei usa prodotti cosmetici quotidianamente.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
iniziare a correre
L’atleta sta per iniziare a correre.
sturen
Hij stuurt een brief.
inviare
Sta inviando una lettera.