Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/32312845.webp
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
escludere
Il gruppo lo esclude.
cms/verbs-webp/11497224.webp
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
rispondere
Lo studente risponde alla domanda.
cms/verbs-webp/60395424.webp
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
saltellare
Il bambino salta felicemente in giro.
cms/verbs-webp/91906251.webp
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
chiamare
Il ragazzo chiama il più forte possibile.
cms/verbs-webp/80356596.webp
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
salutare
La donna saluta.
cms/verbs-webp/113671812.webp
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
condividere
Dobbiamo imparare a condividere la nostra ricchezza.
cms/verbs-webp/70055731.webp
vertrekken
De trein vertrekt.
partire
Il treno parte.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
scappare
Nostro figlio voleva scappare da casa.
cms/verbs-webp/61575526.webp
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
controllare
Il dentista controlla la dentatura del paziente.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
servire
Il cameriere serve il cibo.
cms/verbs-webp/118549726.webp
controleren
De tandarts controleert de tanden.
controllare
Il dentista controlla i denti.