Vocabolario
Impara i verbi – Olandese
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
escludere
Il gruppo lo esclude.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
rispondere
Lo studente risponde alla domanda.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
saltellare
Il bambino salta felicemente in giro.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
chiamare
Il ragazzo chiama il più forte possibile.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
salutare
La donna saluta.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
condividere
Dobbiamo imparare a condividere la nostra ricchezza.
vertrekken
De trein vertrekt.
partire
Il treno parte.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
scappare
Nostro figlio voleva scappare da casa.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
controllare
Il dentista controlla la dentatura del paziente.
serveren
De ober serveert het eten.
servire
Il cameriere serve il cibo.