Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/122398994.webp
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
uccidere
Fai attenzione, con quella ascia puoi uccidere qualcuno!
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
menzionare
Il capo ha menzionato che lo licenzierà.
cms/verbs-webp/90554206.webp
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
riferire
Lei riferisce lo scandalo alla sua amica.
cms/verbs-webp/107299405.webp
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
chiedere
Lui le chiede perdono.
cms/verbs-webp/61575526.webp
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.
cms/verbs-webp/117490230.webp
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
ordinare
Lei ordina la colazione per se stessa.
cms/verbs-webp/100011426.webp
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
influenzare
Non lasciarti influenzare dagli altri!
cms/verbs-webp/120870752.webp
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
estrarre
Come farà a estrarre quel grosso pesce?
cms/verbs-webp/47737573.webp
geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
essere interessato
Il nostro bambino è molto interessato alla musica.
cms/verbs-webp/105623533.webp
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
dovere
Si dovrebbe bere molta acqua.
cms/verbs-webp/70055731.webp
vertrekken
De trein vertrekt.
partire
Il treno parte.
cms/verbs-webp/107852800.webp
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
guardare attraverso
Lei guarda attraverso un binocolo.