אוצר מילים
למד פעלים – הולנדית
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
להתאפק
אני לא יכול להוציא הרבה כסף; אני צריך להתאפק.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
לתקן
הוא רצה לתקן את הכבל.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
לשלוח
הסחורה תישלח אלי בחבילה.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
מענה
התלמידה מענה על השאלה.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
לאהוב
היא אוהבת את החתול שלה מאוד.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
לעבור
השניים עוברים אחד ליד השני.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
לקפוץ
הילד מקפץ בשמחה.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
שוטפת
אני לא אוהב לשטוף את הצלחות.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
מרגישה
האם מרגישה המון אהבה לילד שלה.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
לפספס
האיש פספס את הרכבת שלו.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
השאיר
הבעלים השאירו את הכלבים שלהם אצלי לטיול.