אוצר מילים
למד פעלים – הולנדית
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
להאזין
הוא אוהב להאזין לבטן אשתו הברה.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
להתרגל
לילדים צריך להתרגל לשפשף את השיניים.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
לקבל תעודת כחולה
הוא צריך לקבל תעודת כחולה מהרופא.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
מבקש
הוא מבקש ממנה סליחה.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
להתקשר
היא יכולה להתקשר רק בזמן הפסקת הצהריים שלה.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
לציין
המנהל ציין שהוא הולך לפטר אותו.
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
היית צריך
היית צריך לעשות את זה לפני שעה!
springen
Hij sprong in het water.
לקפוץ
הוא קפץ למים.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
מרגישה
האם מרגישה המון אהבה לילד שלה.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
להגביל
במהלך דיאטה, צריך להגביל את כמות המזון.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
חכה
עדיין צריך לחכות חודש.